ECLI:NL:RVS:2021:2099
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens hoorrecht in bezwaar
De staatssecretaris wees op 1 november 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 25 maart 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit in juni 2021. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase, terwijl de staatssecretaris zich op het standpunt stelde dat er geen twijfel bestond dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het afzien van het horen in bezwaar slechts is toegestaan als redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat het bezwaar niet tot een ander besluit leidt. Gezien eerdere jurisprudentie was het bezwaar niet kennelijk ongegrond en had de vreemdeling gehoord moeten worden. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Afdeling vernietigde het besluit van 25 maart 2020, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand uit oogpunt van definitieve geschilbeslechting. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, zijnde € 2.244,00, voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 25 maart 2020 wordt vernietigd, met in stand laten van de rechtsgevolgen.