ECLI:NL:RVS:2021:2182
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten college Maastricht over instemming saneringsplan bodemverontreiniging
Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht stelde op 25 maart 2020 vast dat sprake was van ernstige bodemverontreiniging op een perceel in Maastricht en stemde in met een door de vergunninghouder ingediend saneringsplan. Een wijziging van het saneringsplan werd op 22 juli 2020 door het college goedgekeurd. De appellant, mede-eigenaar van het naastgelegen perceel, maakte bezwaar tegen deze besluiten vanwege zorgen over de omvang van de sanering en mogelijke verspreiding van verontreinigde grond.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college de wijziging van het saneringsplan bij het besluit van 30 juli 2020 had moeten betrekken en dat het besluit daarom vernietigd moest worden. Tevens werd geoordeeld dat de reactie van het college op de wijzigingsmelding van 22 juli 2020 geen besluit in de zin van de Awb was, waardoor het bezwaar van appellant tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
De Afdeling vond dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de sanering voldeed aan de eisen van artikel 38 van Pro de Wet bodembescherming, met name over het beperken van het risico op verspreiding van verontreiniging naar het naastgelegen perceel. Het college kon niet afzien van toetsing op grond van het saneringsplan en mocht niet volstaan met het standpunt dat het naastgelegen perceel dezelfde verontreiniging zou bevatten zonder dit te onderbouwen.
De besluiten van 30 juli 2020 en 21 december 2020 werden vernietigd, het bezwaar tegen de reactie van 22 juli 2020 niet-ontvankelijk verklaard, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: De besluiten van het college van 30 juli 2020 en 21 december 2020 worden vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.