ECLI:NL:RVS:2021:2215

Raad van State

Datum uitspraak
6 oktober 2021
Publicatiedatum
6 oktober 2021
Zaaknummer
202104070/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens intrekken niet-behandeling asielaanvraag

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris aanvankelijk niet in behandeling werd genomen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de procedure gaf de staatssecretaris aan de asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling te hebben genomen. Hierdoor was het doel van het hoger beroep komen te vervallen, omdat de vreemdeling het beoogde resultaat had bereikt zonder dat het hoger beroep inhoudelijk hoefde te worden behandeld.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en wees een vergoeding van proceskosten door de staatssecretaris af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, met mr. N. Verheij als lid en mr. M.T. Annen als griffier.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de asielaanvraag alsnog in behandeling is genomen.

Uitspraak

202104070/1/V3.
Datum uitspraak: 6 oktober 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 juni 2021 in zaak nr. NL21.6092 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. De vreemdeling heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat hij de asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. Daarmee heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. Zie (onder 1.1 en 1.2 van) de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2021
765-945