ECLI:NL:RVS:2021:2237
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar bij aanvraag extra uren rechtsbijstand
Appellant diende een aanvraag in bij de raad voor rechtsbijstand voor extra uren rechtsbijstand, welke op 1 oktober 2019 werd afgewezen. Na het maken van bezwaar en het uitblijven van een beslissing daarop, stelde appellant dat hij op 6 februari 2020 een ingebrekestelling had gestuurd. De raad verklaarde het bezwaar op 27 maart 2020 gegrond en kende de extra uren toe.
Appellant vorderde vervolgens bij de rechtbank een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de ingebrekestelling daadwerkelijk was verzonden, mede omdat de raad de ontvangst betwistte. Appellant stelde dat de verzending wel aannemelijk was door een postoverzicht en een toelichting op het aanmaken en versturen van de brief.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het postoverzicht toont niet aan dat de verzonden brief de ingebrekestelling betrof en de toelichting op het aanmaken van de brief bewijst niet de daadwerkelijke verzending. Daarom is de verzending niet aannemelijk gemaakt en heeft appellant geen recht op een dwangsom. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling is verzonden.