ECLI:NL:RVS:2021:231
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
Bij besluit van 29 maart 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland had. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 24 oktober 2019 opnieuw ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 november 2020 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens op 7 december 2020 om een voorlopige voorziening tegen de voorgenomen uitzetting. De voorzieningenrechter van de rechtbank verleende op 21 januari 2021 een voorlopige voorziening waardoor de uitzetting op 22 januari 2021 werd opgeschort.
De Raad van State heeft het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen te bevorderen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.