Bij besluit van 29 maart 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland had. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 24 oktober 2019 opnieuw ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 november 2020 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens op 7 december 2020 om een voorlopige voorziening tegen de voorgenomen uitzetting. De voorzieningenrechter van de rechtbank verleende op 21 januari 2021 een voorlopige voorziening waardoor de uitzetting op 22 januari 2021 werd opgeschort.
De Raad van State heeft het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen te bevorderen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
202006514/1/V2 en 202006514/2/V2.
Datum uitspraak: 4 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2020 in zaak nr. 19/8944 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2018 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad.
Bij besluit van 24 oktober 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 november 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.G.P. de Boon, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter op 7 december 2020 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Daarnaast heeft de vreemdeling krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de uitzetting door de staatssecretaris op 22 januari 2021 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Bij mondelinge uitspraak van 21 januari 2021 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening de ordemaatregel getroffen dat de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling op 22 januari 2021 om 9.40 uur achterwege blijft.
Overwegingen
1. De stukken uit Suwinet die de staatssecretaris op 21 januari 2021 heeft overgelegd en de reactie van de vreemdeling daarop maakten geen deel uit van het procesdossier op basis waarvan de rechtbank op 16 november 2020 uitspraak heeft gedaan. Daarom heeft de voorzieningenrechter deze stukken niet in zijn oordeel betrokken. Deze stukken kunnen een rol spelen bij een eventuele nieuwe aanvraag.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.