ECLI:NL:RVS:2021:2372
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens woonfraude en onttrekking woning aan bewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 29 juni 2017 een bestuurlijke boete van €13.500 op aan appellante wegens overtreding van artikel 21, onder a, van de Huisvestingswet 2014. Dit volgde op een onderzoek naar woonfraude waarbij werd vastgesteld dat een woning aan de bestemming tot bewoning was onttrokken door tijdelijke verhuur in plaats van permanente bewoning.
Appellante voerde aan niet betrokken te zijn bij de korte verhuur en stelde dat de woning alleen te koop stond via haar makelaarsbedrijf. De rechtbank Amsterdam verklaarde haar beroep ongegrond, waarbij werd meegewogen dat twee vrouwen die in de woning waren aangetroffen verklaarden sleutels te hebben ontvangen van een vrouw die overeenkwam met appellante en een kwitantie met de naam van haar bedrijf toonden.
De Raad van State concludeert dat appellante als enige werknemer van het bedrijf de beschikking had over de woning en dat de omstandigheden in samenhang voldoende zijn om haar als overtreder aan te merken. Haar tegenargumenten, zoals het ontbreken van persoonlijke spullen en communicatie met huurders, en het ontbreken van onderzoek naar de identiteit van de adverteerder op een verhuursite, zijn onvoldoende om het besluit te vernietigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; bestuurlijke boete van €13.500 bevestigd wegens onttrekking woning aan bewoning.