Uitspraak
Datum uitspraak: 27 oktober 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
griffier
Raad van State
Appellant, voormalig promovendus aan Wageningen University, werd door het college van bestuur op 17 april 2019 formeel medegedeeld dat hij de wetenschappelijke integriteit had geschonden bij de totstandkoming van meerdere hoofdstukken van zijn proefschrift. Deze mededeling volgde op een klacht van 2 maart 2018 en een advies van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit. Het college van bestuur verklaarde de klacht gegrond en informeerde klagers en werkgever.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, stellende dat deze een besluit met rechtsgevolgen bevatte. Het college van bestuur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, en de voorzieningenrechter bevestigde dit oordeel. Appellant stelde dat de brief mede het besluit tot intrekking van zijn doctorsgraad door het college voor promoties voorbereidde en dat het oordeel hem direct raakte als gewezen ambtenaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de brief een kennisgeving betrof zonder publiekrechtelijke rechtsgevolgen en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het college voor promoties is een zelfstandig bestuursorgaan dat niet gebonden is aan het oordeel van het college van bestuur. Ook betwistte appellant dat de brief een besluit bevatte op grond van de AVG inzake persoonsgegevensverwerking. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de brief van 17 april 2019 is terecht niet-ontvankelijk verklaard.