AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek woonurgentie na echtscheiding ondanks gespannen woonsituatie
De appellant, vader van een vijfjarig kind, had na een co-ouderschapsregeling woonurgentie aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen. Hij woont momenteel bij zijn ouders, maar de verhoudingen daar zijn verstoord, wat spanningen veroorzaakt. Het college wees de aanvraag af omdat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en omdat het probleem kan worden opgelost door gebruik te maken van voorliggende voorzieningen.
De Huisvestingsverordening gemeente Amstelveen 2018 en de Uitvoeringsregels Wonen Amstelveen 2019 bepalen dat een urgentieverklaring slechts in zeer incidentele noodgevallen wordt verleend, gezien het beperkte woningaanbod. De appellant voldoet niet aan de voorwaarden, mede omdat hij bij zijn ouders woont en zou kunnen verhuizen naar een krimpgebied. Het college stelde terecht dat de urgentieregeling niet bedoeld is om na een echtscheiding op gewenste wijze gezinsleven vorm te geven.
Hoewel de rechtbank en de voorzieningenrechter erkenden dat de woonsituatie van appellant niet wenselijk is, oordeelden zij dat de omstandigheden niet schrijnend zijn. Het belang van een rustige woonomgeving voor het kind is onvoldoende om urgentie te rechtvaardigen. De Raad van State bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om woonurgentie wordt afgewezen omdat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en het probleem kan worden opgelost met voorliggende voorzieningen.
Uitspraak
202106278/1/A3 en 202106278/2/A3.
Datum uitspraak: 21 oktober 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Amstelveen,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 3 augustus 2021 in zaak nr. 21/3707 en 20/4597 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.
Openbare zitting gehouden op 21 oktober 2021 om 11:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. N. Verheij, voorzieningenrechter
griffier: mr. L.E.E. Konings
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. R.J. Schenkman, advocaat te Amstelveen, en het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, vertegenwoordigd door T. Kok.
Het hoger beroep richt zich tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank van 3 augustus 2021, waarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard en zijn verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.
De voorzieningenrechter
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Gronden:
• De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. [appellant] is vader van een dochter van vijf jaar oud. Van de moeder van zijn dochter is hij gescheiden. Hij heeft op 12 februari 2020 - kort nadat de rechtbank Amsterdam een co-ouderschapsregeling heeft vastgesteld - bij het college woonurgentie aangevraagd. [appellant] woont bij zijn ouders, maar de verhoudingen zijn daar verstoord. Dat veroorzaakt veel spanning en dat is voor alle betrokkenen onwenselijk. Het college heeft de aanvraag om woonurgentie afgewezen, omdat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en omdat het huisvestingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening.
• In de Huisvestingsverordening gemeente Amstelveen 2018 en de Uitvoeringsregels Wonen Amstelveen 2019 is neergelegd onder welke omstandigheden iemand een urgentieverklaring kan krijgen. Het is niet onredelijk dat het college, gezien het beperkte woningaanbod in de regio van Amstelveen, slechts in zeer incidentele noodgevallen een urgentieverklaring verleent.
• [appellant] voldoet niet aan de voorwaarden omdat hij bij zijn ouders woont. Hij zou gebruik kunnen maken van voorliggende voorzieningen, door bijvoorbeeld te verhuizen naar een krimpgebied. Voor zover hij genoodzaakt is in de regio huisvesting te vinden om uitvoering te geven aan de 50/50-verdeling, wijst het college er terecht op dat de dochter bij de moeder kan wonen en dat de urgentieregeling niet is bedoeld om na een echtscheiding op een gewenste manier uitoefening te kunnen geven aan het gezinsleven.
• Hoewel de rechtbank de brieven van de twee huisartsen en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming niet letterlijk in haar uitspraak heeft genoemd, heeft zij wel onderkend dat de woonsituatie van [appellant] niet wenselijk is. De voorzieningenrechter vindt dat ook. De rechtbank heeft echter terecht geoordeeld dat de omstandigheden niet schrijnend zijn. Dat een kind een rustige woonomgeving nodig heeft, is niet genoeg.
• De voorzieningenrechter is het daarom met het college en de rechtbank eens dat [appellant] niet voor urgentie in aanmerking komt.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.