ECLI:NL:RVS:2021:2457
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening machtiging tot voorlopig verblijf vreemdeling
De vreemdeling heeft bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke bij besluit van 13 juli 2020 is afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat bij besluit van 24 februari 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 september 2021 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening beoordeeld. De vreemdeling stelde dat de machtiging tot voorlopig verblijf noodzakelijk is, mede vanwege de medische situatie van zijn adoptiemoeder en het belang om met zijn adoptieouders als gezin in Nederland te verblijven en de adoptie-erkenningsprocedure te voltooien.
De voorzieningenrechter oordeelde dat op basis van de aangevoerde feiten en belangen niet aannemelijk is dat de staatssecretaris de machtiging tot voorlopig verblijf onrechtmatig heeft geweigerd. Gezien de belangen van beide partijen is het niet gerechtvaardigd om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen.