ECLI:NL:RVS:2021:247
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 3 maart 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag heeft op 23 december 2020 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven, maar dat de uitspraak niet strekte tot het verlenen van de machtiging tot voorlopig verblijf. Bovendien zou uitvoering van de uitspraak geen onomkeerbare gevolgen hebben en geen onevenredige inspanning vergen.
Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter bepaalde tevens dat de hoofdzaak met voorrang behandeld moet worden om de onzekerheid voor partijen te beperken. Tot slot werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.