AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen staatsraad in voorlopige voorziening bestuursrecht
Tijdens de zitting van 16 november 2021 verzocht verzoeker om wraking van staatsraad J.E.M. Polak, die als voorzieningenrechter belast was met de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker stelde dat Polak vanwege zijn voormalige functie als voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak medeverantwoordelijk zou zijn voor de kinderopvangtoeslagaffaire en daardoor niet onbevangen zou kunnen oordelen.
De staatsraad berustte niet in het wrakingsverzoek en diende een schriftelijke reactie in. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het wrakingsverzoek ter zitting, waarbij verzoeker werd gehoord, maar de staatsraad geen gebruik maakte van het recht op hoor en wederhoor.
De Afdeling overwoog dat een staatsraad geacht wordt onpartijdig te zijn en dat het aan verzoeker is om bijzondere omstandigheden aan te tonen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen. Het enkele feit dat de staatsraad oud-voorzitter is, vormt geen objectieve grond voor partijdigheid of vooringenomenheid. De subjectieve vrees van verzoeker is onvoldoende om het wrakingsverzoek toe te wijzen.
Daarom wees de Afdeling het wrakingsverzoek bij mondelinge beslissing van 16 november 2021 af.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen staatsraad Polak is afgewezen wegens gebrek aan specifieke gronden voor partijdigheid.
Uitspraak
202105628/5/R1.
Datum beslissing: 16 november 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:
Tijdens de zitting op 16 november 2021 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. J.E.M. Polak (hierna: de staatsraad) als voorzieningenrechter belast met de behandeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in de zaak nr. 202105628/4/R1.
[verzoeker] heeft zijn verzoek om wraking ook op schrift gesteld en ter zitting overhandigd.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie ingediend. Deze is aan [verzoeker] bij aanvang van de behandeling van het verzoek ter zitting overhandigd.
De Afdeling heeft het verzoek om wraking ter zitting behandeld op 16 november 2021, waar [verzoeker] is gehoord. De staatsraad heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Beslissing
Bij mondelinge beslissing van 16 november 2021 heeft de Afdeling het verzoek om wraking van de staatsraad afgewezen.
Overwegingen
Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen.
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 vanPro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Als maatstaf geldt dat een staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.
3. Samengevat weergegeven heeft [verzoeker] aan het verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad voorzitter van de Afdeling is geweest en in die hoedanigheid medeverantwoordelijk is voor de kinderopvangtoeslagaffaire. [verzoeker] meent dat de staatsraad daarom niet onbevangen het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening zal kunnen beoordelen.
4. De Afdeling overweegt dat [verzoeker] geen specifieke gronden voor wraking naar voren heeft gebracht met betrekking tot de staatsraad als voorzieningenrechter, belast met de behandeling van het verzoek van [verzoeker] om het treffen van een voorlopige voorziening. Uit het enkele feit dat de staatsraad oud-voorzitter van de Afdeling is, kan niet worden afgeleid dat hij in zijn rechterlijke oordeelsvorming partijdig of vooringenomen is, dan wel dat een bij [verzoeker] daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De subjectieve beleving van [verzoeker] dat hier wél sprake van is, is onvoldoende om het verzoek om wraking toe te wijzen.
Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.