ECLI:NL:RVS:2021:2567
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens onvoldoende bewijs bevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde aan appellante een boete van €16.000 op wegens overtreding van de Huisvestingswet. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt door personen die zich namens appellante verklaarden. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat niet was aangetoond dat deze personen bevoegd waren om namens appellante bezwaar te maken.
De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat appellante niet tijdig het bewijs had geleverd dat de gemachtigde bevoegd was om namens het bedrijf A, de bestuurder van appellante, op te treden. Appellante stelde dat zij als leek niet wist dat ook van bedrijf A een uittreksel uit het handelsregister moest worden overgelegd en dat de gemachtigde op een hoorzitting zijn bevoegdheid had bevestigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college het bezwaar niet had mogen afwijzen zonder appellante de gelegenheid te bieden het ontbrekende uittreksel van bedrijf A te overleggen. Dit was noodzakelijk om de bevoegdheidskwestie volledig te kunnen beoordelen. De redelijke termijn was niet overschreden. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college vernietigd en het college gelast een nieuw besluit te nemen, waarbij het verzuim is hersteld. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar vernietigd en het college gelast een nieuw besluit te nemen.