ECLI:NL:RVS:2021:2740

Raad van State

Datum uitspraak
8 december 2021
Publicatiedatum
8 december 2021
Zaaknummer
202106834/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 50 Vw 2000Art. 84 Vw 2000Art. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling en onbevoegdheid hoger beroep ophouding

Bij besluiten van 8 oktober 2021 werd aan de vreemdeling een maatregel van ophouding voor gehoor opgelegd en werd hij in bewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde op 26 oktober 2021 de beroepen van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de ophouding, omdat hiertegen geen hoger beroep openstaat volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Voor het hoger beroep tegen de bewaring bevestigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen relevante rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde zich dus onbevoegd voor het hoger beroep tegen de ophouding en wees het hoger beroep tegen de bewaring af, waarmee de uitspraak van de rechtbank ongewijzigd bleef. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd voor het hoger beroep tegen ophouding en bevestigt de uitspraak van de rechtbank inzake bewaring.

Uitspraak

202106834/1/V3.
Datum uitspraak: 8 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 oktober 2021 in zaak nr. NL21.15952 en NL21.16016 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 8 oktober 2021 is de vreemdeling een maatregel van ophouding voor gehoor opgelegd en heeft de staatssecretaris hem in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 26 oktober 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL21.15952 (ophouding)
1.       De uitspraak van de rechtbank gaat over de ophouding als bedoeld in het in hoofdstuk 4 van de Vw 2000 opgenomen artikel 50. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.
2.       De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL21.16016 (bewaring)
3.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4.       Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 oktober 2021 in zaak nr. NL21.15952;
II.       bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 oktober 2021 in zaak nr. NL21.16016.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Melse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2021
347-982