ECLI:NL:RVS:2021:2779
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ambtshalve uitzettingsbeperking vreemdeling
De staatssecretaris heeft bij besluit van 19 augustus 2021 ambtshalve geweigerd te bepalen dat de uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling, mede namens haar minderjarige kind, heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 17 november 2021 ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tevens een voorlopige voorziening verzocht. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat het geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming beantwoord moeten worden.
De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie, waaronder het arrest Paposhvili tegen België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en concludeert dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.