ECLI:NL:RVS:2021:2800

Raad van State

Datum uitspraak
15 december 2021
Publicatiedatum
15 december 2021
Zaaknummer
202107040/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBelemmeringenwet Privaatrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning leidingentracé over landgoed

Het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe verleende op 18 oktober 2019 een omgevingsvergunning aan het waterschap voor het aanleggen van een leidingentracé voor afvalwatertransport tussen Zetten en Dodewaard, waarvan circa 3,6 km over het landgoed De Heerlijkheid Hemmen loopt. De Stichting, eigenaar van het landgoed, vreesde aantasting van landschappelijke waarden en stelde dat een minder belemmerend alternatief tracé mogelijk was.

Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Gelderland werd de vergunning met aanvullende voorschriften in stand gelaten. De Stichting stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om onomkeerbare landschapsveranderingen te voorkomen.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 30 november 2021 en concludeerde dat door een eerdere schorsing van privaatrechtelijke toestemmingen het waterschap momenteel geen gebruik kan maken van de vergunning. Hierdoor ontbrak een spoedeisend belang voor de voorlopige voorziening, die daarom werd afgewezen.

De uitspraak bevestigt dat de omgevingsvergunning terecht is verleend en dat de bezwaren van de Stichting onvoldoende spoedeisend zijn om de werkzaamheden te staken. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202107040/2/R1.
Datum uitspraak: 15 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
Stichting het Lijndensche Fonds voor Kerk en Zending, gevestigd te Hemmen, gemeente Overbetuwe,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 oktober 2021 in zaak nr. 20/4147 en 20/4832 in het geding tussen onder andere:
de Stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.
Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2019 heeft het college aan het waterschap een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een leidingentracé voor het transport van afvalwater op percelen gelegen tussen het rioolgemaal in Zetten en de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Dodewaard.
Bij besluit van 14 juli 2020 heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar de omgevingsvergunning, met aanvullende voorschriften, in stand gelaten.
Bij besluit van 9 februari 2021 heeft het college een aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift gewijzigd.
Bij uitspraak van 27 oktober 2021 heeft de rechtbank het door de Stichting tegen de besluiten van 14 juli 2020 en 9 februari 2021 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de Stichting hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de Stichting de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het verzoek in zaak nr. 202107041/2/R1, ter zitting behandeld op 30 november 2021, waar zijn verschenen:
- de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. C.F. Geerdes, advocaat te Arnhem, vergezeld door [gemachtigde],
- het college, vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, en R.M. Willemse,
- het waterschap, vertegenwoordigd door mr. J.J.W. van Ingen en ing. L.H. Boltjes, bijgestaan door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg.
Overwegingen
1.       Het waterschap heeft het voornemen om het zuiveringsproces van afvalwater efficiënter en duurzamer te maken door dit te centraliseren. Daarvoor worden de kleinere rioolwaterzuiveringsinstallaties (hierna: rwzi’s) in Zetten en Valburg gesloten en wordt het afvalwater vanuit deze installaties getransporteerd naar de rwzi’s in Dodewaard en Tiel, die ook worden uitgebreid en verbeterd. Voor dit transport is onder meer een nieuwe rioolpersleiding nodig van Zetten naar de rwzi in Dodewaard. Deze heeft een lengte van ongeveer 6,7 kilometer, een diameter van 40 centimeter en deze zal op een diepte van ongeveer 1,5 meter onder het maaiveld worden aangelegd.
Ongeveer 3,6 km van deze leiding is gepland over het landgoed "De Heerlijkheid Hemmen" waarvan de Stichting het eigendom heeft. De Stichting vreest dat door de aanleg van de leiding via het daarvoor gekozen tracé de landschappelijke waarden van het landgoed worden aangetast. Volgens haar bestaat er een minder belemmerend alternatief voor het tracé van de leiding.
2.       Op het tracé zijn meerdere bestemmingsplannen van toepassing. Op grond van een aantal bestemmingen uit deze bestemmingsplannen is het verboden om zonder een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid een ondergrondse transportleiding aan te leggen. Deze omgevingsvergunning moet worden geweigerd als door de aanleg, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en natuurwaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
3.       De Stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op grond van de overgelegde adviezen de conclusie heeft kunnen trekken dat geen blijvende onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en natuurwaarden en dat de omgevingsvergunning in zoverre terecht is verleend. Volgens de Stichting kan voor de aanleg van de rioolpersleiding een voor de Stichting aanmerkelijk minder bezwarend alternatief tracé worden gevolgd, zodat het college de omgevingsvergunning voor het aangevraagde tracé had moeten weigeren. Daarnaast voert de Stichting aan dat de rechtbank ten onrechte voorschrift A heeft vernietigd. Hierdoor geldt geen enkele beperking meer ten aanzien van het aantal te kappen bomen, terwijl het college dat wel nodig heeft gevonden.
4.       De Stichting heeft het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat het landschap onomkeerbaar verandert door de graafwerkzaamheden en kap van bomen.
5.       Bij uitspraak van heden in zaak nr. 202107041/2/R1, heeft de voorzieningenrechter de besluiten van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 september 2019 en 14 oktober 2019, waarbij aan de Stichting het Lijndensche Fonds voor Kerk en Zending een gedoogplicht is opgelegd op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht onderscheidenlijk een aantal perceelnummers in het besluit van 30 september 2019 is gewijzigd, geschorst. Het waterschap heeft ter zitting bevestigd dat bij schorsing van deze besluiten een privaatrechtelijke toestemming ontbreekt om de rioolpersleiding op de percelen van de Stichting te kunnen realiseren. Van de aanlegvergunning kan op dit moment dus geen gebruik worden gemaakt. Gelet hierop ontbreekt op dit moment een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
6.       Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2021
745