ECLI:NL:RVS:2021:2809
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt schadevergoeding wegens onjuiste grondslag bewaring
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 5 september 2021 in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 7 september 2021 werd deze bewaring opgeheven en vervangen door een bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, vanwege concrete aanwijzingen dat de Dublinverordening op de vreemdeling van toepassing was.
In hoger beroep stond centraal of deze concrete aanknopingspunten niet reeds op 5 september 2021 bestonden, waardoor de bewaring van die datum op een onjuiste grondslag zou berusten. Uit het Eurodac-onderzoek van 5 september bleek dat de vreemdeling eerder in Spanje en Zwitserland asiel had aangevraagd, wat de staatssecretaris ook kende bij het opleggen van de bewaring.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de Dublinverordening al op 5 september 2021 van toepassing was, waardoor de bewaring op die datum onrechtmatig was. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep gegrond. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend over de periode 5 tot 7 september 2021 en de proceskosten werden aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.