ECLI:NL:RVS:2021:2842
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.Th. Drop
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke uitspraak over reikwijdte en terugwerkende kracht van de jaarverplichting hernieuwbare energie voor brandstofleveranciers
Catom Distribution B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) om haar verzoek tot wijziging van de jaarverplichting voor hernieuwbare energie over 2018 af te wijzen. Catom betoogde dat leveringen van brandstof aan mobiele machines anders dan voor vervoer niet onder de jaarverplichting vallen en dat de terugwerkende kracht van de wetswijziging van 1 juli 2018 onrechtmatig is.
De Raad van State overwoog dat de jaarverplichting sinds 1 januari 2018 is gekoppeld aan leveringen tot eindverbruik aan diverse bestemmingen, waaronder mobiele machines, conform artikel 9.7.2.1 en 9.8.1.2 van de Wet milieubeheer. Dit betekent dat ook leveringen aan mobiele machines die niet voor vervoer worden gebruikt onder de verplichting vallen. De Afdeling verwierp het betoog dat dit in strijd is met het Unierecht, waaronder de Richtlijn hernieuwbare energie en de Richtlijn brandstofkwaliteit.
Verder oordeelde de Raad dat de terugwerkende kracht van de wetswijziging tot 1 januari 2018 redelijkerwijs noodzakelijk was voor tijdige implementatie van de ILUC-richtlijn en het behalen van Europese doelstellingen. Het gewettigd vertrouwen van belanghebbenden was voldoende in acht genomen, mede door tijdige communicatie en consultaties. Het beroep van Catom werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat de Nederlandse regeling een geïntegreerd systeem vormt ter implementatie van Europese richtlijnen en dat nationale aanvullingen binnen de grenzen van het Unierecht zijn toegestaan. De NEa hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van Catom wordt ongegrond verklaard en de jaarverplichting geldt ook voor leveringen aan mobiele machines anders dan voor vervoer.