ECLI:NL:RVS:2021:2856
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing in hoger beroep tegen bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 26 maart 2021 in bewaring. De vreemdeling stelde meerdere keren beroep in tegen deze maatregel. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een schadevergoeding toe. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank bij haar uitspraak van 18 augustus 2021 onterecht het gezag van gewijsde van een eerdere uitspraak van 15 juni 2021 doorbrak. De rechtbank was niet bevoegd om het verzoek om herziening te behandelen, omdat de Afdeling reeds uitspraak had gedaan over het eerdere beroep. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Verder stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris geen kennisgeving hoefde te doen omdat het eerste beroep van de vreemdeling was ingetrokken. Het verzoek om herziening van de eerdere uitspraak werd afgewezen. Ten slotte wees de Afdeling het deel van het beroep dat nog niet door de rechtbank was behandeld terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 16 december 2021 in het openbaar gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het verzoek om herziening afgewezen en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.