ECLI:NL:RVS:2021:2916
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- P.H.A. Knol
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing exploitatievergunning passagiersvaart wegens onjuiste rechtsgrondslag
Het bedrijf diende op 8 juni 2017 een aanvraag in voor een exploitatievergunning voor vijf bedrijfsvaartuigen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 20 maart 2018 af vanwege een vergunningstop. Na een eerdere vernietiging door de rechtbank stelde het college op 8 januari 2019 een nieuwe Regeling uitgifteronde 2022 vast, waarin werd bepaald dat vergunningen alleen worden verleend bij aanvragen tussen 1 en 31 maart 2020. Het college handhaafde de afwijzing op 22 januari 2019 op basis van deze nieuwe regeling.
Het bedrijf stelde dat de aanvraag beoordeeld moest worden naar het recht dat gold ten tijde van de aanvraag (de Verordening op het binnenwater 2010), en dat het college onrechtmatig de nieuwe regeling toepaste. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat toepassing van de Regeling 2022 op aanvragen die vóór de vergunningstop waren ingediend niet verenigbaar is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Daarom moest het college de aanvraag beoordelen naar het recht ten tijde van de aanvraag.
Verder werd het betoog over de lex silencio positivo verworpen, omdat het uitsluiten daarvan in de Verordening op het binnenwater 2010 voldoende was gemotiveerd met dwingende redenen van algemeen belang, zoals veiligheid en milieu.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen waarbij alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het college tot afwijzing van de exploitatievergunning wordt vernietigd en het college moet de aanvraag opnieuw beoordelen volgens het recht ten tijde van de aanvraag.