ECLI:NL:RVS:2021:2975
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure vreemdeling met EU-verblijfsstatus
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 10 oktober 2021 aan een vreemdeling met een verblijfsstatus in Cyprus een vrijheidsontnemende maatregel op in het kader van de grensprocedure na een asielverzoek op Schiphol. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende schadevergoeding toe, omdat volgens haar het grensbewakingsbelang na vaststelling van de verblijfsstatus in Cyprus niet meer bestond.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de vrijheidsontneming onrechtmatig was en dat de rechtbank zich onterecht mengde in de inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwijst naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2021:2870) waarin is bevestigd dat de staatssecretaris bevoegd is de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen zolang de grensprocedure loopt.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het grensbewakingsbelang ophoudt te bestaan na het vaststellen van een verblijfsstatus in een andere lidstaat. Ook is het niet aan de bestuursrechter om zich te mengen in de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek tijdens de grensprocedure. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.