ECLI:NL:RVS:2021:349
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning en uitstel van vertrek
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde op 27 maart 2020 aan de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en ook uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 toe te kennen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag die het beroep deels gegrond verklaarde en het besluit vernietigde voor zover het de weigering van uitstel van vertrek betrof.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen de beperkte vernietiging en stelde dat ook de weigering van de verblijfsvergunning onvoldoende was gemotiveerd, mede gezien zijn medische situatie. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de vernietiging had beperkt en dat de staatssecretaris in het nieuwe besluit ook de motivering omtrent de verblijfsvergunning nader moet onderbouwen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van 27 maart 2020 volledig voor zover het de weigering van de verblijfsvergunning betrof, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Hiermee wordt de staatssecretaris verplicht om het besluit opnieuw te nemen met een deugdelijke motivering.
Uitkomst: Het besluit van 27 maart 2020 wordt vernietigd voor zover het de weigering van de verblijfsvergunning en het uitstel van vertrek betreft, en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.