ECLI:NL:RVS:2021:353
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verklaring omtrent gedrag vanwege ernstige zedendelicten
Appellant heeft een verklaring omtrent het gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van support engineer, maar de minister voor Rechtsbescherming heeft deze aanvraag afgewezen op grond van eerdere veroordelingen voor ernstige zedendelicten en bezit van kinderpornografie.
De minister hanteerde de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, waarbij zowel een objectief als subjectief criterium worden toegepast. Het objectieve criterium was voldaan vanwege de aard van de veroordelingen, en het subjectieve criterium leidde tot afwijzing omdat het belang van bescherming van de samenleving zwaarder woog dan het belang van appellant.
Appellant voerde aan dat het tijdsverloop en zijn positieve resocialisatie, inclusief een verlengde proeftijd in het kader van een COSA-traject, tot toewijzing van de VOG zouden moeten leiden. De Raad van State oordeelde echter dat het tijdsverloop onvoldoende was om het risico op herhaling uit te sluiten, mede gezien de ernst en aard van de delicten.
De rechtbank en de Raad van State bevestigden de afwijzing van de VOG en wezen het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag wegens onvoldoende tijdsverloop en het belang van maatschappelijke bescherming.