ECLI:NL:RVS:2021:373
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen watervergunning voor beplanting in beschermingszone hoofdwatergang
Het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân verleende op 21 december 2018 een watervergunning aan een vergunninghoudster voor het aanbrengen van een beplantingsstrook van 0,5 meter breed in de beschermingszone van een hoofdwatergang, het plaatsen van een beschoeiing en het verbreden van een watergang ter compensatie van verhard oppervlak. Appellanten stelden dat de vergunning onrechtmatig was omdat de beplantingsstrook volgens hen 2 meter breed had moeten zijn, conform de omgevingsvergunning voor een bedrijfsloods, en dat het onderhoud van de watergang hierdoor belemmerd zou worden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter vast dat appellanten wel degelijk een actueel en reëel belang hadden, onder meer vanwege de mogelijke gevolgen voor het onderhoud van de watergang vanaf hun terrein. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en behandelde het hoger beroep inhoudelijk.
De Afdeling oordeelde dat het dagelijks bestuur zorgvuldig had gehandeld bij het verlenen van de watervergunning. De commissie die het bestuur adviseerde was onafhankelijk en onpartijdig, en appellanten hadden voldoende gelegenheid gehad om te reageren. Het bestuur had de belangen zorgvuldig afgewogen en vastgesteld dat met een beplantingsstrook van 0,5 meter nog een onderhoudsstrook van 4,5 meter overbleef, wat doelmatig onderhoud mogelijk maakt. De bezwaren van appellanten over de breedte van de beschermingszone en het onderhoud werden niet gegrond bevonden.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellanten. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellanten terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard en de watervergunning wordt bevestigd.