ECLI:NL:RVS:2021:403

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2021
Publicatiedatum
25 februari 2021
Zaaknummer
202101269/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen voorgenomen overdracht vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 27 februari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar dat op 6 juli 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag op 18 februari 2021 het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de voorgenomen overdracht op 26 februari 2021 te voorkomen.

De voorzieningenrechter overwoog dat de hogerberoepstermijn nog niet was verstreken en besloot daarom bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening te treffen. De voorgenomen overdracht werd geschorst totdat de voorzieningenrechter uitspraak doet over het resterende verzoek. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2021.

Uitkomst: De voorgenomen overdracht van de vreemdeling op 26 februari 2021 blijft achterwege en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202101269/2/V3.
Datum uitspraak: 25 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 februari 2021 in zaak nr. 20/5523 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 6 juli 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 februari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft op 24 februari 2021 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2021 en de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht op 26 februari 2021 om 10:10 uur achterwege blijft. Alleen al omdat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Nadat de termijn is verstreken, zal de voorzieningenrechter uitspraak doen op het resterende deel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de voorgenomen overdracht op 26 februari 2021 achterwege blijft;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00 (zegge: vijfhonderdvierendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2021
873.