ECLI:NL:RVS:2021:451
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over omgevingsvergunning verbouwing garage tot woonruimte in Utrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende op 10 augustus 2016 een omgevingsvergunning aan appellant voor het vergroten van zijn woning door verbouwing van de garage tot woonruimte. Omwonenden maakten bezwaar vanwege de vrees voor verslechtering van de leefbaarheid door verhuur als onzelfstandige woonruimte. Het college handhaafde de vergunning met voorschriften die het gebruik van de aanbouw als zelfstandige woonruimte verbieden.
Appellant stelde dat de verbouwing niet in strijd was met het bestemmingsplan, onder meer omdat de inhoud van het hoofdgebouw niet groter zou worden dan 600 m3 en de aanbouw al onderdeel was van de woning. De Afdeling oordeelde dat de verbouwing niet leidt tot vergroting van het hoofdgebouw, maar dat het beoogde gebruik als onzelfstandige woonruimte wel in strijd is met het bestemmingsplan, dat woningen definieert als huisvesting voor één huishouden.
Verder oordeelde de Afdeling dat de aan de vergunning verbonden voorschriften, die intensivering van bewoning en het ontbreken van voldoende bergruimte moeten voorkomen, in redelijkheid zijn gesteld in het belang van een goede ruimtelijke ordening en de leefbaarheid van de omgeving. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.