Uitspraak
Datum uitspraak: 3 maart 2021
Raad van State
De burgemeester van Tilburg stelde op grond van artikel 53a van de Algemene plaatselijke verordening (APV) een vergunningplicht in voor de autoverhuurbranche om een onveilig en malafide ondernemersklimaat tegen te gaan. KAV Autoverhuur, zonder vergunning, kreeg meerdere lasten onder dwangsom opgelegd en werd geconfronteerd met invorderingen van verbeurde dwangsommen.
KAV betoogde dat het aanwijzingsbesluit vervallen was door de intrekking van de oude APV en dat het vergunningstelsel in strijd was met de Dienstenrichtlijn, onder meer wegens onvoldoende motivering, ongerechtvaardigd onderscheid en het ontbreken van overgangsrecht. De rechtbank wees de beroepen af, maar de Raad van State stelde vast dat het aanwijzingsbesluit niet was vervallen omdat artikel 53a ongewijzigd was overgenomen in de nieuwe APV.
De Raad oordeelde echter dat de burgemeester onvoldoende had onderbouwd dat het vergunningstelsel noodzakelijk, proportioneel en niet-discriminerend was zoals vereist door artikel 9 van Pro de Dienstenrichtlijn. De motivering was onvoldoende concreet en hield geen rekening met alternatieven of het waterbedeffect. Daarom moest het aanwijzingsbesluit buiten toepassing worden gelaten en konden de daarop gebaseerde besluiten niet in stand blijven.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten, herroept het last onder dwangsom-besluit en verklaarde de beroepen gegrond. Tevens werd het verzoek tot heropening van het onderzoek afgewezen en werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de dwangsombesluiten wegens onvoldoende motivering van het vergunningstelsel en herroept het last onder dwangsom-besluit.