ECLI:NL:RVS:2021:502
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebbendheid bij verzoek bestuurlijke boete wegens schending medisch beroepsgeheim
De zaak betreft het hoger beroep van de minister voor Medische Zorg tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland die oordeelde dat verzoeker als belanghebbende kan worden aangemerkt bij zijn verzoek om een bestuurlijke boete op te leggen aan een voormalig directeur en gz-psycholoog wegens het zonder toestemming verstrekken van conceptrapportages.
Verzoeker stelde dat de betrokkene de geheimhoudingsplicht uit artikel 88 van Pro de Wet BIG heeft geschonden door zonder zijn toestemming gegevens uit het Pro Justitia-dossier te verstrekken aan het Regionaal Tuchtcollege. De rechtbank oordeelde dat verzoeker een persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang heeft bij het verzoek om een bestuurlijke boete en dat het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen ontvankelijk was.
De minister voerde aan dat verzoeker geen belanghebbende is omdat het een eenmalige gebeurtenis in het verleden betreft, de overtreding niet ongedaan kan worden gemaakt en het opleggen van een boete slechts in het algemeen belang plaatsvindt. De Afdeling verwierp dit en stelde dat verzoeker een voldoende objectief, eigen en persoonlijk belang heeft, omdat het gaat om persoonsgegevens die onder het medisch beroepsgeheim vallen en die zonder toestemming zijn verstrekt.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep ongegrond en bepaalde dat de minister alsnog een inhoudelijk besluit op het bezwaar moet nemen. De minister hoeft niet aan het verzoek te voldoen, maar moet wel een gemotiveerde beslissing nemen op basis van het wettelijk kader en de omstandigheden van het geval.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat verzoeker belanghebbende is en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.