ECLI:NL:RVS:2021:520
Raad van State
- Hoger beroep
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen omgevingsvergunning voor veranda en erfafscheiding
Het college van burgemeester en wethouders van Ede verleende op 24 april 2019 een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het bouwen van een veranda en erfafscheiding op een perceel te Lunteren, ondanks strijd met het bestemmingsplan. Appellant, woonachtig naast het perceel, maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure gaf het college aan dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep, omdat hij inmiddels was verhuisd en niet langer eigenaar was van de naastgelegen woning. Appellant bevestigde zijn verhuizing, maar voerde aan dat hij nog steeds belang had vanwege vermeende schade door handhavingsprocedures en communicatieproblemen met het college. De Raad van State oordeelde echter dat deze omstandigheden geen verband hielden met de verleende omgevingsvergunning en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden door het besluit.
Daarom werd geconcludeerd dat appellant geen belang meer had bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 10 maart 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na verhuizing.