ECLI:NL:RVS:2021:528
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding proceskosten na intrekking boete inburgeringsplicht
Bij besluit van 13 augustus 2019 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van €250,- op aan appellante wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering en bepaalde dat zij de lening voor de inburgeringscursus moest terugbetalen. Later, bij besluit van 4 maart 2020, trok de minister de boete in en bepaalde dat appellante de lening niet hoefde terug te betalen, omdat zij recht had op verlenging van de inburgeringstermijn vanwege het volgen van een opleiding aan de Nederlandse Filmacademie en zij ten tijde van dat besluit aan haar inburgeringsplicht had voldaan.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om vergoeding van de proceskosten had afgewezen. Zij voerde aan dat zij niet verplicht was om vooraf gegevens over haar opleiding te verstrekken en dat het systeem van de Wet inburgering begeleiding voorziet, zeker bij een punitieve sanctie. De Afdeling oordeelde echter dat de minister appellante bij vooraankondiging van 18 juni 2019 uitdrukkelijk had gevraagd om ontbrekende gegevens aan te vullen, waaronder deelname aan NT2-cursussen, en dat het op appellante's weg lag hierop te reageren.
Omdat de minister het besluit van 13 augustus 2019 niet had herroepen wegens een aan haar te wijten onrechtmatigheid, was het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar terecht afgewezen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij de minister geen proceskosten hoefde te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat het verzoek om vergoeding van proceskosten terecht is afgewezen.