ECLI:NL:RVS:2021:597
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 6 januari 2021 niet in behandeling is genomen. Hiertegen heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep bij uitspraak van 2 februari 2021 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. De vreemdeling verzocht om te voorkomen dat hij zou worden overgedragen voordat op het hoger beroep was beslist en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank zou worden vernietigd en dat de belangen van de staatssecretaris en de vreemdeling in onderlinge afweging geen aanleiding gaven tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de staatssecretaris niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter B. Meijer, met griffier M.W. Schippers, op 17 maart 2021.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.