ECLI:NL:RVS:2021:600

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2021
Publicatiedatum
18 maart 2021
Zaaknummer
202005809/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in uitzettingszaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 oktober 2019 het verzoek van de vreemdeling af om op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 15 november 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het daaropvolgende beroep op 28 september 2020 niet-ontvankelijk.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit hogerberoepschrift werd echter na de uiterste termijn van 30 oktober 2020 ingediend. De vreemdeling maakte geen gebruik van de mogelijkheid om redenen aan te voeren voor de late indiening.

De Raad van State oordeelde daarom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 18 maart 2021.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

202005809/1/V2.
Datum uitspraak: 18 maart 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 september 2020 in zaak nr. 19/9701 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 15 november 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 30 oktober 2020. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. De vreemdeling heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer
is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2021
309-915.