ECLI:NL:RVS:2021:686
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing handhavingsverzoek ondergrondse restafvalcontainer Waddinxveen
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen om handhavend op te treden tegen een ondergrondse restafvalcontainer (orac) geplaatst naast zijn woning, omdat de locatie niet was aangewezen in een aanwijzingsbesluit. Het college wees dit verzoek op 7 februari 2019 af. Later informeerde het college appellant dat de locatie alsnog was aangewezen, maar verklaarde het bezwaar tegen deze mededeling niet-ontvankelijk omdat het geen besluit betrof.
Appellant stelde dat het college verplicht was een aanwijzingsbesluit te nemen voor de locatie van de orac, omdat dit een rechtsgevolg heeft en onder de definitie van een besluit valt volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college stelde dat artikel 9, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening geen verplichting tot locatieaanwijzing inhoudt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college wel degelijk verplicht was een locatieaanwijzingsbesluit te nemen alvorens de orac te plaatsen. Het college had dit niet gedaan voor de locatie aan de Chris Broersestraat, waardoor het handhavingsverzoek ten onrechte werd afgewezen. Het besluit van 8 oktober 2019 was daarom niet deugdelijk gemotiveerd en werd vernietigd.
Het college werd opgedragen binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant en werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.