ECLI:NL:RVS:2021:688
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing handhavingsverzoek tegen omgevingsvergunning voor opslaghal in Echt
Het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren verleende op 28 juni 2018 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslaghal en het wijzigen van twee uitwegen op een perceel in Echt. [Appellant], wonend op het aangrenzende perceel, maakte bezwaar tegen deze vergunning en verzocht handhaving vanwege vermeende overtredingen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de vergunning niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn en oordeelde dat de bouw niet afweek van de vergunning, zodat handhaving niet aan de orde was. [Appellant] stelde in hoger beroep dat het bezwaar tijdig was ingediend, dat hij op grond van toezeggingen mocht vertrouwen op een verlenging van de termijn en dat de bouw wel degelijk in strijd was met de vergunning.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de bekendmaking van het besluit correct was en dat het bezwaar van [appellant] te laat was ingediend zonder verschoonbare reden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gedaan die een verlenging rechtvaardigden. Ook werd geoordeeld dat de bouw van de opslaghal voldeed aan de vergunning en dat het college daarom niet verplicht was handhavend op te treden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.