ECLI:NL:RVS:2021:707

Raad van State

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
6 april 2021
Zaaknummer
202003217/3/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:45 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking kennisneming vertrouwelijk ambtsbericht Iran in hoger beroep vreemdelingenzaak

In deze bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De minister van Buitenlandse Zaken heeft namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vertrouwelijk stuk overgelegd dat ten grondslag ligt aan een passage in het algemeen ambtsbericht Iran van maart 2019.

De Afdeling bestuursrechtspraak moest beslissen of het verzoek om alleen de Afdeling kennis te laten nemen van dit vertrouwelijke gespreksverslag gerechtvaardigd was. Hierbij werd een belangenafweging gemaakt tussen het belang van partijen om over alle relevante informatie te beschikken en het belang van bescherming van de bron en het voorkomen van misbruik.

De Afdeling oordeelde dat de bescherming van de bron en het voorkomen van misbruik, dat kan leiden tot fabricatie van valse vluchtverhalen en daarmee belemmering van toekomstig asielonderzoek, zwaarder wegen dan het belang van partijen om het stuk in te zien. Daarom werd het verzoek tot beperkte kennisneming toegewezen.

Uitkomst: Verzoek tot beperkte kennisneming van vertrouwelijk stuk wordt toegewezen.

Uitspraak

202003217/3/V2.
Datum beslissing: 6 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 mei 2020 in zaak nr. NL20.6693 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 mei 2020 in zaak nr. NL20.6693.
Bij staatssecretaris heeft, op verzoek van de Afdeling met toepassing van artikel 8:45 van Pro de Awb, namens de minister van Buitenlandse Zaken gereageerd en een beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.
De minister van Buitenlandse Zaken heeft, op verzoek van de Afdeling met toepassing van artikel 8:45 van Pro de Awb, de vertrouwelijke versie van een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het betreft een aan een passage op p. 15 van het algemeen ambtsbericht Iran van maart 2019 ten grondslag liggend stuk:
-        gespreksverslag van interview met vertrouwenspersoon 1, te ambassade Teheran. De minister van Buitenlandse Zaken heeft de delen van dit verslag die ten grondslag liggen aan die passage in het verslag aangeduid.
Overwegingen
1.       De minister van Buitenlandse Zaken heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van dit stuk kennis zal nemen.
2.       Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3.       In het vertrouwelijk overgelegde stuk wordt door de bron informatie verstrekt over Iran. Naar het oordeel van de Afdeling weegt de bescherming van de geraadpleegde bron zwaarder dan het belang dat partijen kennis nemen van het stuk. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de minister van Buitenlandse Zaken daarnaast terecht aanvoert dat het stuk gegevens bevat die bruikbaar zijn voor het fabriceren van valse vluchtverhalen, waardoor kennisneming van die gegevens kan leiden tot misbruik en daarmee een belemmering is voor toekomstig asielonderzoek.
4.       De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Verweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021