ECLI:NL:RVS:2021:711
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging omgevingsvergunning voor kappen zes bomen te Putte
Het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht verleende op 13 juni 2018 een omgevingsvergunning voor het kappen van zes bomen op een perceel te Putte. Omwonenden, appellanten, stelden dat het kappen hun uitzicht en de natuurwaarde aantastte en maakten bezwaar tegen het besluit. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellanten gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar en het primaire besluit, en bepaalde dat geen vergunning vereist was voor het kappen van de bomen.
De appellanten stelden in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de APV van 5 januari 2019 toepaste en dat het kappen altijd vergunningplichtig was vanwege de vermelding van de bomen op de kaartbijlage bij het Groenbeleidsplan. Ook voerden zij aan dat het college een herplantplicht had moeten opleggen en dat het beleid van het college de vergunningplicht bevestigde.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht uitging van de APV van 5 januari 2019 als geldend recht ten tijde van het besluit op bezwaar. De kaartbijlage bij het Groenbeleidsplan kan niet worden aangemerkt als een lijst met uitsluitingen zoals bedoeld in artikel 4:11 van Pro de APV, en het beleid van het college kan een wettelijk voorschrift niet vervangen. Omdat de bomen niet op de in artikel 4:11 genoemde Pro lijsten staan, was het kappen niet vergunningplichtig en was het college niet bevoegd de vergunning te verlenen. De herplantplicht was daarom niet van toepassing. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het kappen van de zes bomen niet vergunningplichtig is en het college niet bevoegd was de vergunning te verlenen.