ECLI:NL:RVS:2021:75
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank over uitzetting vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 29 april 2020 een aanvraag van een vreemdeling af om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en dat de belangen van de staatssecretaris en de vreemdeling dit rechtvaardigen.
Daarom werd bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de staatssecretaris geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.