ECLI:NL:RVS:2021:766
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen omgevingsvergunning voor pluimveebedrijf
Het college van burgemeester en wethouders van Twenterand verleende op 14 november 2018 een omgevingsvergunning voor het vervangen van de stalinrichting op een perceel met een pluimveebedrijf. De vergunninghouder wilde biologische legkippen houden met de optie vleeskuikenouderdieren.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. De rechtbank bevestigde deze beslissing en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde dat het college de ontvangstdatum van het bezwaar niet had bewezen en dat de omgevingsvergunning in strijd was met het EVRM, het Verdrag van Aarhus en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De Raad van State oordeelde dat de termijn voor bezwaar liep tot en met 27 december 2018, terwijl het college het bezwaar op 28 december ontving. Volgens vaste jurisprudentie rust de bewijslast op de indiener om aan te tonen dat het bezwaar tijdig is ingediend. Appellant leverde onvoldoende bewijs dat het bezwaar op tijd was gedeponeerd. De Raad van State verwierp de overige betogen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.