ECLI:NL:RVS:2021:841
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke bevestiging afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens ontbreken ernstig letsel
Appellant deed op 8 januari 2019 een aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven nadat hij slachtoffer was geworden van een steekincident met een mes, waarbij hij letsel aan zijn gezicht opliep. De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af omdat het litteken niet als ontsierend werd beschouwd en er geen bewijs was geleverd voor ernstig psychisch letsel. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit op 12 mei 2020.
Appellant stelde in hoger beroep dat het litteken en de psychische impact van het incident wel degelijk ernstig letsel vormden. Hij voerde aan dat het psychisch letsel voorondersteld moest worden vanwege de ernst van het misdrijf, ook al had hij het mes niet direct gezien.
De Raad van State overwoog dat het aan appellant was om met objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij ernstig letsel had opgelopen. Het litteken werd niet als ontsierend aangemerkt volgens de geldende beleidsregels en er was geen objectief medisch bewijs voor ernstig psychisch letsel. Bovendien voldeed appellant niet aan de voorwaarde van een rechtstreekse bedreiging met een mes, omdat hij het mes niet had gezien. Het enkele bloeden en de realisatie van de steek waren onvoldoende om psychisch letsel voor te stellen.
Daarom was het standpunt van de CSG redelijk en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering wordt bevestigd.