ECLI:NL:RVS:2021:861
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- B.P.M. van Ravels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking en weigering omgevingsvergunning uitbreiding bedrijfswoning paardenhouderij
Appellant exploiteert een paardenhouderij met bedrijfswoning op een perceel in Haghorst. In 2015 vroeg hij een omgevingsvergunning aan voor uitbreiding van de bedrijfswoning, die toen al was gerealiseerd. Het college verleende de vergunning, maar verklaarde deze later na bezwaar van een buurpartij gegrond en trok de vergunning in. Vervolgens weigerde het college een nieuwe vergunning vanwege strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied 2014".
Appellant voerde aan dat het bouwplan niet in strijd was met het toen geldende bestemmingsplan en dat het college ten onrechte het nieuwe bestemmingsplan als toetsingskader hanteerde. De Afdeling oordeelde dat het bouwplan niet paste binnen het oude bestemmingsplan omdat een paardenhouderij geen intensieve veehouderij is. Het college mocht daarom het actuele bestemmingsplan toepassen.
Verder stelde de Afdeling vast dat het college ten onrechte meende niet bevoegd te zijn om vergunning te verlenen op grond van artikel 2.12 Wabo in samenhang met het Bor, omdat het hoofdgebouw ook de stal is die noodzakelijk is voor de toekomstige bestemming. Het college had onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwplan in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening, terwijl het bouwplan in overeenstemming was met het ontwerpbestemmingsplan.
De Afdeling vernietigde daarom de besluiten van 28 januari 2020 en 7 april 2020 en bepaalde dat het college binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij het nieuwe bestemmingsplan als toetsingskader geldt. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en weigering van de omgevingsvergunning worden vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.