ECLI:NL:RVS:2021:881
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling afgewezen in hoger beroep tegen niet-behandeling verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 1 februari 2021 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk vanwege een te late indiening. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het beroep slechts één dag te laat was ingediend en de omstandigheden dit verzuim konden rechtvaardigen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep werd inhoudelijk beoordeeld.
De inhoudelijke beoordeling richtte zich op de situatie in Italië voor Dublinclaimanten, waarbij de Raad van State aansluiting vond bij een eerdere uitspraak van 8 april 2020. De aangevoerde nieuwe rapporten boden geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. Ook de uitbraak van het coronavirus leidde niet tot een andere beoordeling van de opvangvoorzieningen of internationale verplichtingen van Italië.
De vreemdeling kon geen omstandigheden aantonen die overdracht aan Italië van bijzondere hardheid maakten. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.