ECLI:NL:RVS:2021:881

Raad van State

Datum uitspraak
19 april 2021
Publicatiedatum
26 april 2021
Zaaknummer
202101833/1/V1 en 202101833/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 92 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling afgewezen in hoger beroep tegen niet-behandeling verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 1 februari 2021 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk vanwege een te late indiening. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het beroep slechts één dag te laat was ingediend en de omstandigheden dit verzuim konden rechtvaardigen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep werd inhoudelijk beoordeeld.

De inhoudelijke beoordeling richtte zich op de situatie in Italië voor Dublinclaimanten, waarbij de Raad van State aansluiting vond bij een eerdere uitspraak van 8 april 2020. De aangevoerde nieuwe rapporten boden geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. Ook de uitbraak van het coronavirus leidde niet tot een andere beoordeling van de opvangvoorzieningen of internationale verplichtingen van Italië.

De vreemdeling kon geen omstandigheden aantonen die overdracht aan Italië van bijzondere hardheid maakten. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

202101833/1/V1 en 202101833/2/V1.
Datum uitspraak: 19 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 12 maart 2021 in zaak nr. NL21.1959 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       In de grieven klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hoewel het beroep één dag te laat is ingediend, heeft de rechtbank in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden ten onrechte geen aanleiding gezien voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep.
3.       Het beroep gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Het beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De vreemdeling doet een beroep op passages in het AIDA-rapport "Country Report: Italy 2019 Update" van de European Council on Refugees and Exiles van 27 mei 2020 en op het in januari 2020 verschenen rapport ‘Reception condition in Italy’ van SFH/OSAR. Uit die rapporten komt geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren dan volgt uit de landeninformatie die reeds bij voornoemde uitspraak van 8 april 2020 is betrokken. Verder is niet gebleken dat de uitbraak van het coronavirus op dit moment maakt dat de zorg- en opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië niet aan de eisen voldoen of dat Italië als gevolg van de uitbraak van het coronavirus zijn internationale verplichtingen niet langer zal nakomen. De vreemdeling voert verder geen omstandigheden aan die het oordeel rechtvaardigen dat overdacht aan Italië van bijzondere hardheid getuigt.
4.       Het beroep is ongegrond. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 12 maart 2021 in zaak nr. NL21.1959;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.     wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2021
210