ECLI:NL:RVS:2021:886

Raad van State

Datum uitspraak
28 april 2021
Publicatiedatum
28 april 2021
Zaaknummer
202101955/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake uitzettingsuitstel vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 28 oktober 2016 een aanvraag van de vreemdeling om uitzetting achterwege te laten afgewezen. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank dit besluit en gaf de vreemdeling uitstel van vertrek voor een jaar vanaf 17 februari 2021.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat de uitspraak van de rechtbank niet uitgevoerd hoefde te worden totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het uitvoeren van de uitspraak niet onevenredig bezwaarlijk is voor de staatssecretaris en dat het belang van de vreemdeling om de rechten uit artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 te genieten zwaarder weegt. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €534,00.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202101955/2/V3.
Datum uitspraak: 28 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 februari 2021 in zaak nr. 20/5643 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 14 juli 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 februari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond, dat besluit vernietigd, het besluit van 28 oktober 2016 herroepen, de staatssecretaris opgedragen om de vreemdeling uitstel van vertrek te verlenen voor de duur van een jaar met ingang van 17 februari 2021 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.       Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdelingen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. Uitvoering van de uitspraak totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist betekent weliswaar dat de vreemdeling de rechten heeft die uit artikel 64 van Pro de Vw 2000 voortvloeien, maar dat is niet onevenredig bezwaarlijk. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de staatssecretaris geen onevenredige inspanning vergt.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek af;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00 (zegge: vijfhonderdvierendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021
47.