ECLI:NL:RVS:2021:922
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring woningzoekende met chronisch hartfalen
De zaak betreft het hoger beroep van een woningzoekende met ernstig chronisch hartfalen en psychosociale klachten die een urgentieverklaring voor woningtoewijzing had aangevraagd bij Holland Rijnland. Deze aanvraag werd afgewezen omdat hij volgens het bestuursorgaan binnen zes maanden zelf een woning kon vinden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak.
De appellant wilde dichter bij zijn familie wonen voor mantelzorg, maar kon geen woning vinden in Leiden. Holland Rijnland erkende zijn medische situatie maar stelde dat zijn inschrijftijd en de wachttijd voor seniorenwoningen het redelijk maakten om te verwachten dat hij binnen zes maanden een woning zou vinden. Bovendien moest hij reageren op alle geschikte woningen, ook minder populaire.
De Afdeling oordeelde dat de situatie van appellant niet zo uitzonderlijk was dat een urgentieverklaring gerechtvaardigd was. De operatie die hij moest ondergaan was inmiddels uitgevoerd en uit de medische verklaringen bleek niet dat uitstel hiervan levensbedreigend was. De Afdeling bevestigde dat Holland Rijnland met terughoudendheid uitzonderingen maakt vanwege de krappe woningmarkt en dat het beroep ongegrond is. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring en verklaart het hoger beroep ongegrond.