ECLI:NL:RVS:2021:958
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag woningurgentie wegens onvoldoende woonduur en geen schrijnende situatie
Appellante vroeg op 27 december 2018 een verklaring voor woningurgentie aan bij het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, met het argument dat zij dichter bij haar zoon wilde wonen die beschermd woont in Wormerveer. Het college wees de aanvraag op 19 februari 2019 af omdat appellante niet minimaal twee jaar onafgebroken in Zaanstad had gewoond, zoals vereist in artikel 2.5.5 van de Huisvestingsverordening Zaanstad 2018. Tevens stelde het college dat er geen levensbedreigende of levensontwrichtende situatie bestond die uitsluitend door huisvesting in Zaanstad kon worden opgelost.
Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de afwijzing, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar zoon inmiddels dakloos was geworden, waardoor de situatie zou zijn veranderd en toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd zou zijn.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat geen schrijnende situatie bestond die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigde. Het aanvullende medische advies concludeerde dat appellante geen ernstige medische of psychiatrische stoornissen had die alleen door huisvesting in Zaanstad konden worden opgelost. De herhaalde gronden in hoger beroep waren niet gemotiveerd en boden geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de woningurgentieverklaring bevestigd.