ECLI:NL:RVS:2021:96
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken belanghebbende bij urgentieverklaring
In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere op 26 november 2018 een urgentieverklaring verleend aan een huurder die per 1 januari 2018 een kamer huurde bij appellant. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant geen belanghebbende was als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat zij wel belanghebbende was vanwege een financieel huurgeschil en aantasting van haar eer en goede naam als verhuurster. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat deze belangen te ver verwijderd waren van het besluit en niet rechtstreeks bij het besluit betrokken waren.
Daarnaast weigerde appellant toestemming voor inzage in het besluit en bijbehorende adviezen, waardoor de Afdeling niet kon onderzoeken op welke gronden het college de urgentieverklaring had verleend. Het beroep op afgeleid belang faalde eveneens omdat appellant geen rechtstreeks belang had.
De Afdeling bevestigde dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belanghebbende.