ECLI:NL:RVS:2022:1020
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toeslagpartnerstatus en terugvordering toeslagen 2016
De zaak betreft het hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland die de Belastingdienst/Toeslagen in het gelijk stelde over de definitieve vaststelling van zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag over 2016. De Belastingdienst had [partij] als toeslagpartner van [appellante] aangemerkt omdat zij samen met haar kinderen op hetzelfde adres stonden ingeschreven en geen schriftelijke huurovereenkomst was overgelegd waaruit bleek dat [partij] een gedeelte van de woning huurde.
[Appellante] voerde aan dat er wel een schriftelijke overeenkomst was waarin [partij] een maandelijkse vergoeding betaalde voor gebruik van voorzieningen, maar dat dit geen huurovereenkomst was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de overeenkomst een onkostenvergoeding betrof en niet voldeed aan de wettelijke definitie van een huurovereenkomst op zakelijke gronden zoals vereist in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir.
De Afdeling bevestigde dat de Belastingdienst terecht [partij] als toeslagpartner heeft aangemerkt, waardoor het toetsingsinkomen hoger was en de toeslagen lager werden vastgesteld. Dit leidde tot terugvordering van € 1.313,00 aan te veel ontvangen voorschotten. De Afdeling wees erop dat [appellante] een betalingsregeling kan aanvragen rekening houdend met haar financiële situatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de toeslagpartnerstatus van [partij] is bevestigd, waardoor de terugvordering van te veel ontvangen toeslagen rechtmatig is.