ECLI:NL:RVS:2022:1047

Raad van State

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
12 april 2022
Zaaknummer
202201529/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 1F VluchtelingenverdragArtikel 4 moratoriumbesluitArtikel 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel na moratoriumtoepassing

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde bij besluit van 14 december 2021 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

In het hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht dat het besluit- en vertrekmoratorium voor Afghanistan van 20 augustus 2021 niet van toepassing zou zijn op personen die niet worden verwacht terug te keren naar hun land van herkomst. De Raad van State oordeelde echter dat dit moratorium niet van toepassing is op vreemdelingen die onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen, zoals de vreemdeling in kwestie, en bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank.

Verder voerde de vreemdeling geen nieuwe gronden aan die het oordeel van de rechtbank zouden kunnen vernietigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de motivering. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202201529/1/V3.
Datum uitspraak: 12 april 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 maart 2022 in zaak nr. NL21.19913 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 4 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. In de derde grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit- en vertrekmoratorium voor Afghanistan van 20 augustus 2021 niet van toepassing is op personen waarvan niet verwacht wordt dat zij terugkeren naar hun land van herkomst. Dit laatste is immers niet kenbaar uit het betreffende moratoriumbesluit. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak. De reden hiervoor is dat, zoals ook de staatssecretaris in het besluit van 14 december 2021 heeft opgemerkt, artikel 4 van Pro het moratorium bepaalt dat dit niet van toepassing is op vreemdelingen, zoals deze vreemdeling, die onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de vreemdeling zich niet op dit moratorium kan beroepen. De grief faalt.
2. Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2022
371-982