ECLI:NL:RVS:2022:1047
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel na moratoriumtoepassing
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde bij besluit van 14 december 2021 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht dat het besluit- en vertrekmoratorium voor Afghanistan van 20 augustus 2021 niet van toepassing zou zijn op personen die niet worden verwacht terug te keren naar hun land van herkomst. De Raad van State oordeelde echter dat dit moratorium niet van toepassing is op vreemdelingen die onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen, zoals de vreemdeling in kwestie, en bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank.
Verder voerde de vreemdeling geen nieuwe gronden aan die het oordeel van de rechtbank zouden kunnen vernietigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de motivering. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.