ECLI:NL:RVS:2022:1048
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep en voorlopige voorziening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 februari 2022 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 3 maart 2022 ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De vreemdeling klaagde terecht dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat hij Algerije om economische redenen had verlaten en pas na vertrek vreesde voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Deze klacht leidde echter niet tot vernietiging van de uitspraak, omdat de rechtbank ook oordeelde dat de vreemdeling zijn vrees onvoldoende had onderbouwd en dat het reizen door verschillende Europese landen zonder om bescherming te vragen, afbreuk deed aan de noodzaak van bescherming.
De vreemdeling voerde verder aan dat hij bescherming kon inroepen van Algerijnse autoriteiten, maar dit betoog werd niet inhoudelijk behandeld omdat het geen vragen bevatte die relevant zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.