ECLI:NL:RVS:2022:1091
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bewonersparkeervergunning in nulplafondgebied Amsterdam
Appellant heeft op 10 juli 2019 een bewonersparkeervergunning aangevraagd voor zijn adres in het deelvergunninggebied West-6.2 van Amsterdam, waar een nulplafond geldt. Het college van burgemeester en wethouders heeft de aanvraag op 24 juli 2019 afgewezen op grond van de Parkeerverordening 2013 en het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening. Het bezwaar van appellant is op 14 november 2019 ongegrond verklaard en de rechtbank heeft op 8 maart 2021 het beroep eveneens ongegrond verklaard.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college op grond van de Nota Parkeernormen Auto 2017 had moeten afwijken van het nulplafond omdat er bij de nieuwbouw geen eis voor parkeerplaatsen op eigen terrein is en de parkeerdruk dit toelaat. Ook voerde hij aan dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn persoonlijke omstandigheden en het besluit onvoldoende had gemotiveerd. Daarnaast stelde appellant dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat bewoners met koopwoningen wel een vergunning zouden krijgen.
De Raad van State oordeelt dat artikel 32, derde lid, van de Verordening een dwingendrechtelijke weigering inhoudt zonder beoordelingsruimte. De Nota biedt geen bevoegdheid tot afwijking van het nulplafond in het gebied van appellant. De hardheidsclausule van artikel 40 Verordening Pro is niet van toepassing omdat de situatie van appellant niet onbillijk genoeg is. Het gelijkheidsbeginsel is onvoldoende concreet onderbouwd en faalt. De overige gronden zijn onvoldoende toegelicht om tot vernietiging te leiden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bewonersparkeervergunning bevestigd.