ECLI:NL:RVS:2022:1120
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet tijdig nemen besluit op bezwaar in vreemdelingenzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 29 juni 2018 een verblijfsvergunning van een vreemdeling ingetrokken en diverse aanvragen afgewezen, waaronder een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 31 januari 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 4 december 2020 ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in.
Op 8 maart 2022 trok de staatssecretaris het besluit van 31 januari 2019 in, waardoor het hoger beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelde het beroep als gericht tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De staatssecretaris had de wettelijke termijn van 19 weken voor het nemen van een besluit overschreden, ook al was deze termijn eenmaal verlengd.
De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van niet tijdig beslissen en legde de staatssecretaris op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag tot maximaal €15.000 opgelegd en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €3.036,00. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer J.H. van Breda.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is gegrond verklaard met vernietiging van het besluit en oplegging van een dwangsom.