ECLI:NL:RVS:2022:1134
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring woningzoekende alleenstaande moeder
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag van een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen om een urgentieverklaring af op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. De moeder woonde ten tijde van de aanvraag bij haar moeder en later in een noodopvang voor gezinnen. Het college oordeelde dat geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem en dat zij niet al het mogelijke had gedaan om haar huisvestingsprobleem te voorkomen.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de moeder ongegrond en de moeder stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Zij voerde aan dat het college onvoldoende had gemotiveerd, dat zij de eerdere huurwoning vanwege onveiligheid had verlaten en dat het verblijf in de noodopvang ongeschikt was voor haar kinderen.
De Raad van State oordeelde dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat geen urgent huisvestingsprobleem bestond, omdat de moeder en haar kinderen een dak boven het hoofd hadden, eerst bij haar moeder verbleven en daarna in de noodopvang. Het college motiveerde het strenge beleid vanwege het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.